Type en bouw

De bouw van de Vlaamse Reus moet imponeren. Van boven gezien is het een rechthoekig lichaam. De benen moeten fors, sterk en niet te lang zijn. De rugbelijning is in rusttoestand recht, met een soepel afgeronde achterhand. De Vlaamse Reus heeft goed gevulde dijen die vast aan het lichaam sluiten. De achterbenen staan zuiver in het verlengde van het lichaam. Als het dier uitstaande knieƫn heeft, staan ook de achterbenen niet in het verlengde van het lichaam. Het gevolg is een geknepen achterhand. die een te krappe stand van de achterbenen veroorzaakt en zich dan koehakkig tonen.
De brede borst en schouders vormen, samen met een goed ontwikkelde ribbenpartij en goed gevulde achterhand, genoemde rechthoek.

Vlakke ribben laten een versmalling zien van het middenrif, hetgeen afbreuk doet aan de rechthoekige vorm. Het toont een insnoering tussen schouder en bekkengordel. Vlakke ribben geven ook vaak een scherpe rug te zien. Van opzij gezien behoort onze reus een rechte rug te hebben met een mooie, gesloten, schouderpartij, die een geheel vormt met de ruglijn. De schouderbladen moeten vast aan liggen en via een sterk en hard spierweefsel aan de romp zijn gehecht. Hangen de schouderbladen nogal los, vooral bij voedsters, dan zijn deze ook vaak los in het borstvel, ook al tonen ze weinig wam.

Skelet van een konijn. Afbeelding van internet (bron niet kunnen achterhalen)

Via het opperarmbeen, wat aan het schouderblad bevestigd is, komen we bij het voorbeen. Het voorbeen bestaat uit spaakbeen en ellepijp, die zuiver recht zijn. Hieraan bevindt zich het polsgewricht, wat zeer stevig is. Dit gewricht kan bij te slap zijn een doorgedrukt been in de hand werken.
Het voorbeen is zeer belangrijk: een Vlaamse Reus met forse, goed gevormde, benen straalt adel en robuustheid uit. Van opzij gezien is de achterhand mooi afgerond, zonder gleufvorming.
Ook de achtervoeten zijn fors, dus zowel voor- als achterbenen dienen kracht uit te stralen.

De buik is hard. Buiken met een slap spierweefsel zijn uit den boze, vooral als zij ook nog eens overontwikkeld zijn. Een goed dier heeft een droge buik, hard aanvoelend en goed vrij van de tafel.

Het is vanzelfsprekend dat de kop van een Vlaamse Reus fors moet zijn. Vooral de ram heeft een zware kop, met brede schedel en snuit, zwaar ontwikkelde wangen. Van opzij gezien heeft het een gebogen neusbeen, een zogenaamde “appelkop” zonder gleufvorming tussen de ogen. De kop van de voedster is minder zwaar gebouwd, maar mag geenszins ontaarden in een smalle, spitse kop.

Het oog moet helder, levenslustig en vitaal zijn. Konijnen hebben drie oogleden, onder, boven en het derde ooglid, wat is de ooghoek vaak iets zichtbaar is. Bij sommige konijnen schuift het derde ooglid voor het oog en wel zover dat het zelfs gedeeltelijk voor de pupil schuift. Als het niet bij machte is het derde ooglid terug te trekken, noemen we dit een spekoog. Vermoeide en zenuwachtige konijnen tonen het derde ooglid ook nog wel eens. Geef hen wat rust, dan trekt het zo weer weg. Vaak is echter een (kleine) aanleg dan wel aanwezig.
Open ooghoeken zijn uit den boze. Deze fout ontstaat doordat de oogleden (ringspieren) slap van weefsel zijn. Dit is een erfelijke aanleg, waardoor het onverstandig is om met deze dieren te fokken. De kop zit met zeer weinig hals aan de romp bevestigd. We noemen dit halsloos.

De oren moeten goed open gedragen worden, zonder vouwen of plooien. De zijn vlezig en stevig van weefsel. Het kraakbeen is de basis voor een stevig en goed gedragen oor. Aan de basis zijn de oren breed en van sterke spieren voorzien. De structuur is zeer belangrijk, de lengte moet in overeenstemming zijn met de lichaamsgrootte, maar overlengte schaadt. Als ze slap van structuur zijn en het dier kan ze slecht dragen, doet dit afbreuk aan het gehele beeld.
Als een reus zich goed stelt, met omschreven lichaamsbouw, is het een prachtverschijning, een atleet.

Fouten in de rugbelijning zijn erfelijk. Een losse schouderpartij gaat vaak samen met zwakke voorbenen.Losse schouders getuigen van een slap spierweefsel en vaak is dan het borstvel ruim, vooral bij voedsters. Deze dieren zijn moeilijk in stelling te brengen of helemaal niet. Vaak blijven ze plat liggen. De wervelkolom is recht tot aan de achterhand, die zonder plat of hoekig te zijn, mooi is afgerond. Soms komt een verhoging in kruiswervels voor, wat een zeer ernstige fout is. Gleufvorming in de achterhand, vooral in ernstige mate, is zeer erfelijk.

De staart is lang en wordt nauwsluitend tegen het midden van de achterhand gedragen. Een scheve staart wort veroorzaakt door een vergroeiing van de eerste wervels. De zogenaamde staartwortel ligt dan zo goed als dwars achter de achterhand. Een kromme staart is weer wat anders, deze toont een vergroeiing van de wervels in meerdere vormen, o.a. een kwartcirkel naar links of naar rechts.
Een gebroken staart kan men voelen aan de wervels, die dan een verdikking hebben. De staart is vaak vergroeid door dit euvel, maar het is niet erfelijk en heeft dus geen invloed op de keuze om het als fokdier in te zetten.
Een sleepstaart is een staart die slap achter het dier aansleept. Een speelstaart is moeilijk te beoordelen. Als een ram op tafel zit, waar ook de voedsters op gezeten hebben, houdt hij, vanwege de geslachtsdrift, de staart meestal niet op z’n plek. Een speelstaart kan men het best beoordelen door het dier een tijdje op de vloer te laten lopen. Bij een speelstaart draagt de ram of voedster onvast en gooit hem naar alle richtingen. De staart wordt echter op de plek gedragen als het geen speelstaart is.

Het gebit moet goed op elkaar aansluiten. Een te korte of te lange onderkaak komt voor. Dan kunnen ook de snijtanden misvormd raken, waardoor voedselopname bemoeilijkt wordt. Vaak is de vlees conditie bij deze dieren niet optimaal en kan dus een teken zijn. Controle van het gebit, op bijvoorbeeld olifantstanden, is dan wenselijk.
Ook andere kaakmisvormingen kunnen leiden tot moeilijker voedselopname, zoals bij een trapgebit. In zo’n geval zijn de achterste kiezen langer dan de voorste, waardoor er een trapvorm ontstaat. De voorste kiezen raken elkaar niet. Opgenomen voer valt dan vaak, samen met speeksel, weer terug in de bak. Indien er veel gekneusd voer, als een aangekoekte brij in de bak vindt, is het raadzaam het gebit te controleren.

Als de dieren jong zijn kunnen er eenvoudig vergissingen worden gemaakt in de geslachtsbepaling. Een volgroeid geslachtsdeel kan uiteindelijk op de juiste vorm en volledigheid worden beoordeeld. Een gespleten penis is helemaal open of soms op een klein stukje na, wat in het midden dan weer vast zit. Het spleetje voorin de penis is niet altijd van gelijke grootte. Het is soms zo groot dat het beoordeeld wordt (door een keurmeester) als een gespleten penis, terwijl het dat niet is.

Ook de voetzolen moeten regelmatig gecontroleerd worden op verwondingen. Wonden op de voetzolen komen nogal eens voor bij dieren die overvet zijn, of die in een slechte vleesconditie zijn.